Iets dat ik bijna nooit vertel, maar je misschien allang weet, is dat ik tweeling ben. Niet van sterrenbeeld, maar tweeling in-het-echt. Eéneiig ook nog eens.

Irma en ik groeiden op als twee druppels water, één gezicht, elkaars evenbeeld. We werden door bekenden en onbekenden achteloos ‘de tweeling’ genoemd.

Hetzelfde lange haar, dezelfde blauwe-met-witte jurkjes, dezelfde verjaarscadeautjes. We zaten naast elkaar in de klas tot ver op de middelbare school. We droomden ’s nachts dezelfde dromen, sliepen bij een logeerpartijtje op één matras, aten als het zo uitkwam van hetzelfde bord en als we allebei op hetzelfde moment ‘Jip en Janneke’ wilden lezen, dan lazen we het boek samen. Tegelijkertijd.

Behalve praktische onhandigheden – zoals wachten op de ander voordat de pagina kon worden omgeslagen – was er boven alles het plezier van samenzijn.

Zo samenzijn, dat ik tot op de dag van vandaag nog omkijk als ik buiten ‘Irma’ hoor roepen.

Inmiddels hebben wij elk een ander leven. Nou ja, een eigen leven, dat gedeeltelijk anders is. We zijn allebei moe

der van een tienerdochter en van een zoon in de basisschool-leeftijd. We werken allebei als begeleider van individuen en trainer van groepen. In een ander vakgebied, dat dan weer wel.

Waarom vertel ik nu van Irma?

Die eerste 18 jaar samen-met-Irma heeft me destijds absoluut ongewild expert gemaakt. Expert in de kunst van het vergelijken.

Niet dat Irma en ik ons zélf steeds met elkaar vergeleken.

Nee, het waren de duizend goedbedoelde vragen van… iedereen. Ooms en tantes, buurvrouwen en buurmannen, vriendjes en vriendinnetjes, juffen en meesters, de dokter, de bakker, de klaar-over, wildvreemde voorbijgangers.

Ik hoor het ze nóg vragen: ‘Wie van jullie is nou dikker?’, ‘Wie kan het mooist zingen?’, ‘Wie kan er beter tekenen?’, ‘Wie kan het hards rennen?’ Of de onbeschaamde varianten: ‘Wie is slimmer?’, ‘Wie haalt de hoogste cijfers?’, ‘Wie heeft de meeste vriendinnetjes?’, ‘Wie is het liefst van jullie twee?’

Het gekke is, ik kan me niet herinneren dat we ooit antwoord gaven. Misschien hielden we onze mond en keken we de ooms, tantes, leraren en voorbijgangers na zo’n domme vraag met medelijden aan.

Ik kan we wel herinneren dat Irma, Diana -onze grote zus- en ik elkaar nooit zo’n vraag hebben gesteld.

Veel later werd duidelijk dat niemand gespaard blijft. Mensen vergelijken mensen met elkaar. Tijdens een sollicitatieprocedure, een verkiezing of het zoeken naar de juiste partner kan het vergelijken nuttig zijn. (Hoewel de betekenisvolle klik, of het ervaren van de X-factor, toch vaak de vergelijking overstijgt.) Maar op de werkvloer bijvoorbeeld, draagt het vergelijken van collega’s onderling aan vrijwel niets bij. Bovendien is het kwetsend.

Het punt is dat in een team van 10 collega’s altijd iemand als eerste een nieuw idee heeft, een kritische opmerking maakt of het meest complete verslag inlevert.

Als  jij dat niet bent, maakt dat jou geen afwachtend, conflictvermijdend of lui persoon. En maakt het degene die dat in de context van dit team wél doet een initiatiefrijk persoon, een criticus, een uitslover?

Vergelijk je jezelf vaak met je collega’s of ben je gevoelig voor kritiek van een ander?

In sommige dynamische teams is het ‘vergelijkingsmateriaal’ intimiderend en voor je het weet ben je niet meer bezig met je eigen talent en creativiteit.

 Zonde, want dit wordt vast een uitgelezen jaar om goed uit de verf te komen. Grijp in! Doe iets. Verdiep je in jouw unieke kracht.

Benut dit jaar om je positie en zelfvertrouwen langzaam en zeker van binnenuit te versterken.

 Wij staan voor je klaar. Via coaching, training en advies begeleiden we individuen, teams en organisaties langs de Werkplezier-Route. Meer weten over de Office Rescue methode? Lees hier meer over ons aanbod.